Skip navigation

NL | FR

Lecherantenne

Lecherantenne

In de natuur vindt men sporen van detectiemiddelen bij dieren die doen denken aan een wichelroede: zie de voelsprieten bij mieren en vlinders, de gespleten tong bij slagen. Een aanvaardbare hypothese is dat deze detectiemiddelen op een of andere wijze (zie vlinders) een draagwijdte moeten hebben die niet anders te verklaren zou zijn dan door beroep te doen op elektromagnetische effecten. Als merkwaardige illustratie daarvan tonen we het voorbeeld van de sluipwesp die in staat is via een lang buisje van 8 cm, legboor genaamd, haar eitjes te deponeren, door een boomschors heen, in het lijf van larven van houtwespen. De sluipwesp moet haar slachtoffer dus "peilen".

Uitgaande van de hypothese dat de bio-energetische velden de kenmerken van elektromagnetische straling vertonen (want zoals het licht beantwoordend aan de wetten van de optica) heeft Reinhart Schneider (fysicus ) het idee gehad een antenne te construeren gebaseerd op het Lecher principe om staande golven van hoogfrequent signalen te detecteren. Het Lecher systeem bestaat uit een paar evenwijdige geleiders die aan één uiteinde worden kortgesloten. Een hoogfrequent golf die op deze geleiders via het open uiteinde invalt zal in deze geleiders een staande golf teweegbrengen. De staande golf ontstaat doordat de binnenkomende golf door de kortsluiting wordt weerkaatst.

Lechersysteem

De weerkaatste golf gaat interfereren met de binnenkomende golf. Hierdoor ontstaan langs de geleiders zgn. buiken en nullen die in de praktijk door het oplichten van een zgn. Geissler buis kunnen aangetoond worden. De maxima ontstaan op afstanden die overeenstemmen met de halve golflengte van het hoogfrequent signaal. (De relatie tussen golflengte 1 en de frequentie f wordt gegeven door de formule: 1 x f = c, waarbij c de lichtsnelheid is nl. 30.000 km/s).